De Eerste Tocht op Java
Trip Start
Sep 18, 2011
1
6
8
Trip End
Oct 25, 2011
Donderdag 22 september 2011
Het is tijd om Jakarta te verlaten. Een laatste blik op ons eerste verblijf in dit land en onze chauffeur genaamd Bembeng (?) leidt ons naar zijn bakbeest van een auto. Het is het type SUV waar een groot deel van de bevolking in lijkt te rijden (óf de brommer die net zo hard gaat als een motor, óf zo'n enorme wagen, geblindeerd, breed en hoog op de weg). De koffers worden achterin geplaatst zodat we er geen last van hebben en Pa en ik nemen plaats op de ruime achterbank.
Via de snelweg rijden we richting Bogor waar we onderweg hier en daar wat tol betalen (circa Rp 6.500). Na ongeveer twee uur rijden we langs het presidentiële huis waar honderden herten vrij rondlopen in het omvangrijke park wat de President zijn tuin mag noemen, waarna we bij de Botanische Tuinen belanden, ook wel bekend als Kebun Raya. Het is ik weet niet hoeveel vierkante kilometer groot en het valt met de voet dan ook niet te doen. De chauffeur rolt rustig met de auto door de toegangspoort van deze kolossale tuin waar ik hoge verwachtingen van heb. Dit is ten slotte Indonesië, een exotisch land met een weelde aan bloemen en vruchten met alle kleuren die je je maar bedenken kan. Maar dit is kennelijk niet de juiste tijd; het is een machtig park met heel veel… bomen. Echt heel veel bomen. Heleboel bomen. Waar je ook bent, er zijn bomen. Dunne bomen, lange bomen, dikke bomen, bamboebomen (ok, dat is eigenlijk een struik, of beter gezegd een 'bamboestoel’, maar toch ook allemaal hout). Ja, ze zijn mooi, ja ze zijn indrukwekkend en het Heilooër bos steekt er schril bij af. De omtrek van sommige bomen zeg je rustig ‘u’ tegen. Je hoeft niet bang te zijn dat je over boomwortels zult struikelen, want je loopt er gewoon vol tegenop zo groot zijn ze. Toch vind ik het een beetje tegenvallen, ik had meer kleuren verwacht dan alleen groen.
We stoppen eventjes bij het zoölogisch museum dat gevuld is met opgezette dieren achter glas. Er hangt zelfs een skelet van een blauwe walvis; deze is zo groot dat we er onderdoor lopen zonder iets door te hebben. Er zijn ook hele vitrines vol met opgezette insecten, de een nog groter dan de andere. Het doet me sterk denken aan de scene uit Indiana Jones and the Temple of Doom waar de blonde schone in de duisternis door een geheime gang schuifelt om Indiana en het kleine chinese jochie te redden. Ze constateert met afschuw dat ze een nagel heeft gebroken en draait haar hand langzaam naar zich toe om de volledige schade op te nemen. En dan ziet ze een soort kruising tussen … - nou ja, mij meerdere onbekende insecten - ter grootte van haar hand+pols die op haar neer is gestreken en dat ze omgeven is door duizenden en duizenden kruipende beestjes, beesten en ronduit monsters die graag in haar kleren en lange lokken kruipen. De exemplaren in de vitrine houden zich gelukkig vrij stil. Toch ongelooflijk hoe enorm ze zijn en wat voor vreemd uiterlijk ze hebben. Wie ze ooit geschapen heeft, heeft een grenzeloze fantasie. Zou één van die beestjes ook last hebben van een minderwaardigheidscomplex zoals mensen dat hebben? Zouden insecten een aangepast gevoel voor schaamte kunnen hebben? Lachen ze elkaar ook uit en wijzen elkaar na?
Anyway, nadat we de kamar kecil (toilet) hebben bezocht, rijden wij weer verder. Ik stap hier en daar uit om toch maar wat plichtmatige foto’s te schieten. Ook al ben ik nu niet zo zeer onder de indruk, de ervaring leert dat eenmaal thuisgekomen, alles van een reis veel levendiger en interessanter wordt en dan is een foto een handig referentiepunt.
We rijden uiteindelijk de botanische tuinen weer uit en voegen ons in het überdrukke verkeer waar de uitlaatgassen een groot deel van de aanwezige lucht uitmaken. Overal auto’s en motoren, maar vooral ook van die kleine minibusjes - ja, het lijkt een pleonasme, maar deze dingen zijn gewoon echt kleiner dan een minibusje. Voor de inhoud maakt het echter niets uit, er worden net zoveel mensen ingepropt. In Bogor is deze vorm van het lokale openbaar vervoer… groen.
Het is druk op de weg, we staan eigenlijk gewoon in een never-ending file en de chauffeur stelt voor om voordat wij naar het dierenpark gaan, eerst even te gaan lunchen. Prima. Wij parkeren voor een enorm restaurant genaamd Jambo wat aan alle kanten Afrika uitademt. Het is definately übertoeristisch, upmarket en groots opgezet in de toepasselijke sfeer. Pa en ik lopen door naar de achterkant van het restaurant waar we plaatsnemen aan een tafel. Er staan verderop wat toeristen bij een balustrade te kirren. We kijken verder om ons heen en pa wijst mij op een grandioos grote vitrine en ik ga even een kijkje nemen. Er hangt een bord bij dat ik de inwoners niet mag storen. Ik kijk naar binnen en achter het glas, in de boom, liggen twee luipaarden te soezen! Wow, super! Wat een onverwacht gezelschap! Sneu natuurlijk dat dit hun hele habitat zal zijn voor de rest van hun leven en het schuldgevoel knaagt in de verte aan mijn geweten. De mens is eigenlijk verschrikkelijk beperkend, het creëert vele kansen, maar alleen voor zichzelf, vooral niet voor een ander ras. Maar stiekem ben ik blij dat ik de kans krijg zulke prachtdieren van dichtbij te kunnen zien.
Ik besluit dan ook maar een kijkje te nemen waar het groepje eerder stond te kirren en het gekir blijkt terecht. Het gaat om twee otters die van links naar rechts achter elkaar aan springen, duiken en duikelen. Zelfs in zo’n kleine leefruimte, weten ze zich nog te vermaken met z’n tweetjes (of ze zijn gillend gek aan het worden, dat kan ook). Ik loop weer terug naar de katachtigen waar er eentje wakker is geworden en de benen is gaan strekken. Met rustige stappen bereikt hij het einde van de ruimte, kijkt wat om zich heen en rekt zich fraai uit zoals alleen een kat kan doen. Hij gaat helemaal los op de boomstam, geweldig!
Ah, het eten wordt opgediend! Pa spuit z’n insuline en neemt vervolgens een slok van zijn chocolade milkshake. We hebben hier een uitgebreide lunch en na ruim een uur zoeken wij Bembeng weer op.
We vervolgen de tocht naar Taman Safari…
Het is tijd om Jakarta te verlaten. Een laatste blik op ons eerste verblijf in dit land en onze chauffeur genaamd Bembeng (?) leidt ons naar zijn bakbeest van een auto. Het is het type SUV waar een groot deel van de bevolking in lijkt te rijden (óf de brommer die net zo hard gaat als een motor, óf zo'n enorme wagen, geblindeerd, breed en hoog op de weg). De koffers worden achterin geplaatst zodat we er geen last van hebben en Pa en ik nemen plaats op de ruime achterbank.
Via de snelweg rijden we richting Bogor waar we onderweg hier en daar wat tol betalen (circa Rp 6.500). Na ongeveer twee uur rijden we langs het presidentiële huis waar honderden herten vrij rondlopen in het omvangrijke park wat de President zijn tuin mag noemen, waarna we bij de Botanische Tuinen belanden, ook wel bekend als Kebun Raya. Het is ik weet niet hoeveel vierkante kilometer groot en het valt met de voet dan ook niet te doen. De chauffeur rolt rustig met de auto door de toegangspoort van deze kolossale tuin waar ik hoge verwachtingen van heb. Dit is ten slotte Indonesië, een exotisch land met een weelde aan bloemen en vruchten met alle kleuren die je je maar bedenken kan. Maar dit is kennelijk niet de juiste tijd; het is een machtig park met heel veel… bomen. Echt heel veel bomen. Heleboel bomen. Waar je ook bent, er zijn bomen. Dunne bomen, lange bomen, dikke bomen, bamboebomen (ok, dat is eigenlijk een struik, of beter gezegd een 'bamboestoel’, maar toch ook allemaal hout). Ja, ze zijn mooi, ja ze zijn indrukwekkend en het Heilooër bos steekt er schril bij af. De omtrek van sommige bomen zeg je rustig ‘u’ tegen. Je hoeft niet bang te zijn dat je over boomwortels zult struikelen, want je loopt er gewoon vol tegenop zo groot zijn ze. Toch vind ik het een beetje tegenvallen, ik had meer kleuren verwacht dan alleen groen.
We stoppen eventjes bij het zoölogisch museum dat gevuld is met opgezette dieren achter glas. Er hangt zelfs een skelet van een blauwe walvis; deze is zo groot dat we er onderdoor lopen zonder iets door te hebben. Er zijn ook hele vitrines vol met opgezette insecten, de een nog groter dan de andere. Het doet me sterk denken aan de scene uit Indiana Jones and the Temple of Doom waar de blonde schone in de duisternis door een geheime gang schuifelt om Indiana en het kleine chinese jochie te redden. Ze constateert met afschuw dat ze een nagel heeft gebroken en draait haar hand langzaam naar zich toe om de volledige schade op te nemen. En dan ziet ze een soort kruising tussen … - nou ja, mij meerdere onbekende insecten - ter grootte van haar hand+pols die op haar neer is gestreken en dat ze omgeven is door duizenden en duizenden kruipende beestjes, beesten en ronduit monsters die graag in haar kleren en lange lokken kruipen. De exemplaren in de vitrine houden zich gelukkig vrij stil. Toch ongelooflijk hoe enorm ze zijn en wat voor vreemd uiterlijk ze hebben. Wie ze ooit geschapen heeft, heeft een grenzeloze fantasie. Zou één van die beestjes ook last hebben van een minderwaardigheidscomplex zoals mensen dat hebben? Zouden insecten een aangepast gevoel voor schaamte kunnen hebben? Lachen ze elkaar ook uit en wijzen elkaar na?
Anyway, nadat we de kamar kecil (toilet) hebben bezocht, rijden wij weer verder. Ik stap hier en daar uit om toch maar wat plichtmatige foto’s te schieten. Ook al ben ik nu niet zo zeer onder de indruk, de ervaring leert dat eenmaal thuisgekomen, alles van een reis veel levendiger en interessanter wordt en dan is een foto een handig referentiepunt.
We rijden uiteindelijk de botanische tuinen weer uit en voegen ons in het überdrukke verkeer waar de uitlaatgassen een groot deel van de aanwezige lucht uitmaken. Overal auto’s en motoren, maar vooral ook van die kleine minibusjes - ja, het lijkt een pleonasme, maar deze dingen zijn gewoon echt kleiner dan een minibusje. Voor de inhoud maakt het echter niets uit, er worden net zoveel mensen ingepropt. In Bogor is deze vorm van het lokale openbaar vervoer… groen.
Het is druk op de weg, we staan eigenlijk gewoon in een never-ending file en de chauffeur stelt voor om voordat wij naar het dierenpark gaan, eerst even te gaan lunchen. Prima. Wij parkeren voor een enorm restaurant genaamd Jambo wat aan alle kanten Afrika uitademt. Het is definately übertoeristisch, upmarket en groots opgezet in de toepasselijke sfeer. Pa en ik lopen door naar de achterkant van het restaurant waar we plaatsnemen aan een tafel. Er staan verderop wat toeristen bij een balustrade te kirren. We kijken verder om ons heen en pa wijst mij op een grandioos grote vitrine en ik ga even een kijkje nemen. Er hangt een bord bij dat ik de inwoners niet mag storen. Ik kijk naar binnen en achter het glas, in de boom, liggen twee luipaarden te soezen! Wow, super! Wat een onverwacht gezelschap! Sneu natuurlijk dat dit hun hele habitat zal zijn voor de rest van hun leven en het schuldgevoel knaagt in de verte aan mijn geweten. De mens is eigenlijk verschrikkelijk beperkend, het creëert vele kansen, maar alleen voor zichzelf, vooral niet voor een ander ras. Maar stiekem ben ik blij dat ik de kans krijg zulke prachtdieren van dichtbij te kunnen zien.
Ik besluit dan ook maar een kijkje te nemen waar het groepje eerder stond te kirren en het gekir blijkt terecht. Het gaat om twee otters die van links naar rechts achter elkaar aan springen, duiken en duikelen. Zelfs in zo’n kleine leefruimte, weten ze zich nog te vermaken met z’n tweetjes (of ze zijn gillend gek aan het worden, dat kan ook). Ik loop weer terug naar de katachtigen waar er eentje wakker is geworden en de benen is gaan strekken. Met rustige stappen bereikt hij het einde van de ruimte, kijkt wat om zich heen en rekt zich fraai uit zoals alleen een kat kan doen. Hij gaat helemaal los op de boomstam, geweldig!
Ah, het eten wordt opgediend! Pa spuit z’n insuline en neemt vervolgens een slok van zijn chocolade milkshake. We hebben hier een uitgebreide lunch en na ruim een uur zoeken wij Bembeng weer op.
We vervolgen de tocht naar Taman Safari…



